woensdag 9 december 2015

vrijdag 30 oktober 2015

Wie is de baas?

Wie is de baas, wie bepalen uiteindelijk hoe en in welke richting onze kinderen zich ontwikkelen?
Volgens de laatste berichten moeten onze kinderen klaargestoomd worden voor de arbeidsmarkt. Vanaf de eerste groep van de basisschool moeten ze Engels leren en vooral digitale vaardigheden. Dat kinderen vaardig worden in het gebruiken en hanteren van de sociale media met bijbehorende apparatuur lijkt mij vanzelfsprekend. Maar dat gaat meestal spelenderwijs. Nee, ze moeten ook leren programmeren en aan het bord hangt wat een algoritme is. Namelijk een set instructies, die je uit moet voeren om een bepaald resultaat te bereiken. Dat is computertaal en dat stimuleert het logisch denken. Ik herinner mij de filosoof, die een prima idee “om kinderen met elkaar in een dialogisch gesprek meningen en ideeën te laten uitwisselen” verving door het leren argumenteren. Ook dat is volgens vaste regels een gesprek voeren. Het is niet het in een kringgesprek uitwisselen van verhalen en persoonlijke ervaringen. Waar is de magie, de verbeeldingskracht, die het kind nodig heeft om binnen een complexe samenleving staande te blijven en een eigen weg te volgen, gebleven? De maatschappij vraagt blijkbaar om kinderen, die volgens door haar bepaalde algoritmen de prestaties leveren waar die maatschappij behoefte aanheeft. Niet alleen de kinderen, maar ook de ouders moeten voldoen aan de eisen, die een op prestaties gerichte maatschappij van hen vraagt. Er zijn echter geen instructies of logische argumenten voor een bevredigend leven. Het is risico’s nemen en vallen en opstaan.

De ouders gaan te gemakkelijk in dat eisende en prestatiegerichte stramien mee. Natuurlijk, zou ik haast zeggen, eisen zij dus ook prestaties van hun kind. Moeten kinderen voldoen aan hun verwachtingen. Het kind mag niet uit de boot vallen want dan heeft dat kind een probleem en wordt gediagnosticeerd.

Ik citeer Jeffrey Wijnberg, die in zijn column in de Telegraaf van maandag vijf oktober het volgende schrijft:
Kinderen van nu zouden zo verwend zijn dat zij bij een onvoldoende op school al psychologische behandeling behoeven. Wie dit beweert, heeft het zelf niet op een rijtje. Want het zijn de ouders van nu die verwend zijn; zo verwend dat zij bij elke tegenslag van hun kind volledig op tilt slaan”.
En dan volgt een Korczakiaanse uitspraak:”Kinderen zijn van nature namelijk veerkrachtig; na een val en een flinke huilpartij pakken ze de draad van het leven weer gemakkelijk op”. Tenslotte eindigt hij met “Een verrot, verwend kind bestaat niet; alleen bij de gratie van een ouder die zelf het rechte spoor bijster is.”
Korczak zegt: een kind heeft het recht te zijn zoals het is. Het kind heeft recht op respect, om zich te ontwikkelen, om te leven en verdriet te hebben, om risico’s te nemen en fouten te maken. Laten we dus het bedrieglijke verlangen naar perfecte kinderen afzweren.

Maar wat doen wij? In een samenleving, die de economie en het consumentisme centraal stelt. Waar alles moet wijken in het belang van de groei. Waar  kansen  benut moeten worden om te groeien, om wereldwijd bij de besten te behoren, om steeds meer te produceren. In zo’n samenleving raken we het spoor bijster en verliezen het belang van het kind uit het oog. We degraderen het tot product. En dus zijn verwende eisende ouders en prestatiegerichte politici de baas.

Wie zouden er dan de baas moeten zijn? Korczak heeft daar wel een antwoord op. Volgens Korczak is het belangrijk als ouders ook van hun kinderen leren en met name oog hebben voor het eigene waarmee het kind op de wereld komt. Het is belangrijk een omgeving te creëren waar het kind binnen bepaalde grenzen - natuurlijk is het van belang dat ouders zorg dragen voor orde en veiligheid - zeggenschap heeft over het creëren van een eigen wereld. Op basis van eigen verwachtingen de specifieke vaardigheden en mogelijkheden waarover hij of zij beschikt kan ontwikkelen. Ouders en opvoeders moeten met het kind samenwerken en hem of haar als mondig mens respecteren.
Helaas ontkomt niemand  aan het economisch groeiscenario dat ten grondslag ligt aan onze maatschappij. Het is roeien met de riemen, die we hebben, en dweilen met de kraan open.

Desondanks is er hoop. Het hier geciteerde citaat gaf de eeuwig met zichzelf worstelende en miskende Vincent van Gogh hoop en vertrouwen.
Ze probeerde hoop en vertrouwen te hebben, al was het moeilijk te geloven dat de toekomst iets anders zou brengen dan de oogst van het zaad dat ze voor haar ogen had zien zaaien. Maar er is altijd zaad dat stilletjes en ongezien wordt gezaaid, en overal komen prachtige bloemen op buiten onze plannen en werkzaamheden om. We maaien wat we zaaien, maar de Natuur heeft meer liefde en bovendien gerechtigheid, en geeft ons schaduw, bloesem en vruchten die niet aan onze plannen ontspruiten.(Uit Eliots Scenes of Clerical Life in De Biografie Vincent van Gogh)


Jan van der Born

donderdag 29 oktober 2015

Een eigen thuis


Ieder mens heeft recht op een eigen thuis, een eigen plek. Lees dit geweldige verhaal van Guus Kuijer.







Omstreeks het jaar 1930 was ik een kleuter. Ik woonde in Amsterdam in een leunstoel. Mijn vader en moeder woonden in het bovenhuis dat om mijn stoel was heengebouwd.
Er waren ook nog drie oudere zussen en een baby-broertje, maar die heb ik weggedacht. Want al die mensen in dat kleine huisje, dat was me te veel. Mijn zussen en mijn broertje zie je dus niet, want als ik mensen wegdacht, waren ze echt vertrokken.
Iedereen meende dat ik gauw dood zou gaan. Ik haalde soms moeilijk adem. Dan piepte het akelig in mijn keel.
Maar doodgaan deed ik niet, want vanuit mijn leunstoel keek ik over de daken naar het Luchtpark.
In het Luchtpark was het ruim en fris en er was lucht. Veel lucht. Het was maar goed dat het Luchtpark zo dichtbij was. Als mijn ouders ervan hadden geweten, waren ze misschien niet zo ongerust geweest.

Lees verder door op deze link te klikken:  Ik woonde in een leunstoel.

vrijdag 4 september 2015

Oorlogskinderen


Twee indringende boeken over kinderen in de tweede wereldoorlog. "De boekendief" is geweldig geschreven. Als je eenmaal begint laat het boek je niet los. Ook de opzet en lay-out zijn heel bijzonder. Het boek speelt zich af in een plaatsje in Duitsland. Liesel is de hoofdpersoon. Zij gaat naar een pleeggezin, omdat haar ouders verdacht worden van communistische sympathieën. Ze trekt daar op met haar vriendje Rudy. Boeken en woorden helpen Liesel om te overleven. Rudy's grote voorbeeld is Jesse Owens. Haar pleegvader en later oom Max zijn Liesels steun en toeverlaat. Zij leveren de woorden. Aan het eind van de oorlog wordt het dorp gebombardeerd, waarbij veel mensen omkomen. Het verhaal wordt vertelt door de Dood.

"Als je het licht niet kunt zien" gaat over Marie-Laure, die blind is en opgroeit in Parijs, en over Werner, die opgroeit in een weeshuis samen met zijn zusje Jutta in een mijnstadje in Duitsland. Werner blijkt zeer intelligent op het gebied van wiskunde en met name radiotechniek. Een hoge officier ontdekt dat en zorgt er voor dat hij een opleiding voor officier mag volgen. Jutta ziet dat als verraad en als Werner aan het eind van de oorlog naar het front moet raakt hij steeds meer met zichzelf in de knoop.
Marie-Laure wordt op haar zesde jaar blind. Haar moeder is overleden en haar vader steunt haar zoveel hij kan. Hij voorziet haar van boeken in braille en maakt een maquette van de omgeving, zodat ze thuis kan oefenen haar weg te vinden voor ze daadwerkelijk met haar stok naar buiten kan. Vanuit Parijs, dat gebombardeerd wordt, vluchten ze naar Saint-Malo waar familie woont. Ook hier bouwt vader weer een maquette van de omgeving voor Marie-Laure. De opa van Marie-Laure verzorgde voor de oorlog radio-uitzendingen, die ook door Jutta en Werner werden gehoord.
In Saint-Malo komen uiteindelijk alle wegen bij elkaar en vindt de ontmoeting tussen Werner en Marie-Laure plaats.
Als Werner een meisje in dat zelfde Saint-Malo ziet schommelen wordt de knoop ontwart. Anthony Doerr schrijft:

Het meisje klimt op de schommel en slingert heen en weer terwijl ze haar benen strekt, en bij Werner, die naar haar kijkt, gaat er van binnen een luikje open. Dit is het leven, denkt hij, dit is waarom we leven, om zo te kunnen spelen op een dag waarop de winter eindelijk zijn grip verliest.
-hij is een jongetje op zijn zolderkamer, dat zich vastklampt aan een droom,die hij niet wil loslaten,.....

Aan het eind van haar leven denkt Marie-Laure na over wie haar ontvallen zijn. Dit citaat, in iets aangepaste vorm, lijkt mij een mooie afsluiting:
Misschien stropen hun geesten wel in hele hordes de lucht af, als zilverreigers, als sternen, als spreeuwen? Misschien vliegen er wel enorme vliegtuigen vol zielen rond, vervaagd maar wel hoorbaar, als je maar goed genoeg luistert? Ze zweven boven de schoorstenen, rollen over de trottoirs, glijden door je jas en je trui, borstbeen en longen en komen er aan de andere kant weer uit, de lucht een bibliotheek vol boeken waarin elk leven dat is geleefd, elke zin die is uitgesproken, elk woord dat is uitgezonden nog weerklinkt.
       Elk uur, denkt ze, valt er iemand weg die zich de oorlog nog kan herinneren.
       We herrijzen in het gras. In de bloemen. In liedjes.

Zou de dood, die het verhaal van de boekendief vertelt, hier het antwoord op weten?